Tuinen & parken

In het park van kasteel d'Ursel

Bij de ingang van (botanische) tuinen stond er in de zestiende en zeventiende eeuw vaak een Lex Horti, een lijstje of verhaaltje met gedragsregels voor de bezoekers. Meestal was zo’n ‘tuinwet’ ludiek en geestig opgesteld. De aanwijzingen reikten vaak verder dan het gedrag van de bezoeker van de tuin: er werd een levensfilosofie in uitgedragen. Een beroemd voorbeeld is de lex horti van de humanist Justus Lipsius voor zijn tuin in Leuven. Misschien is het een idee om de lex horti opnieuw in te voeren voor alle tuinen bij historische huizen, en moeten wij onze dichters en schrijvers aan het werk zetten.

Het ‘groen’ (bos, park, sier-, moes-, nuts-, formele of nog andere tuin of tuintje) maakt integraal deel uit van het historische huis en vergt net als de andere onderdelen onderhoud. Van belang is dat er een beheersplan is voor het gehele ensemble, en dus ook voor het groen. Dit plan bepaalt onder meer welk onderhoud door wie moet worden gepleegd. Een beheersplan kan pas goed en efficiënt zijn als het wordt gemaakt na een inventarisatie opgesteld uit historisch perspectief (zie de Inventarissen Historische Tuinen en Parken van Vlaanderen), aangevuld met een gedetailleerde opname van de aanwezige begroeiing (dus niet slechts het bomenbestand).
Met de ruimte rond een historisch huis moet op eenzelfde voorzichtige en bedachtzame wijze worden omgegaan als met het gebouw en de collectie, ook tijdens het onderhoud. Gras maaien, paden harken, onkruid bestrijden, verwelkte planten weghalen zijn de enige handelingen die een niet of amper geschoolde tuinman kan uitvoeren. Met onderhoudsfirma’s moet een duidelijke afspraak worden gemaakt over producten, methoden en werktuigen of machines die wel of zeker niet mogen worden gebruikt.